Misschien herken je dit.
Je bent ergens aan begonnen. Iets nieuws, iets dat je wilde. De eerste weken droegen je. En dan komt er een dag waarop het niet meer lukt. Niet een beetje minder, maar slechter dan toen je begon. Je lichaam weigert, je handen weigeren, en ergens fluistert een stem die je niet hebt uitgenodigd:
wat maak je jezelf wijs.
Gisteren was het mijn dag.
De les voor beginners
Twee maanden yoga. Uitgerekend in de les voor beginners kon ik voor het eerst niet blijven staan. Mijn polsen deden pijn, mijn lichaam zei nee. Het was de makkelijkste les op papier en de zwaarste in het lijf.
Vandaag ging ik terug. Hetzelfde lichaam, dezelfde polsen, maar een andere leerkracht. Iemand die voelde waar ik stond.
Hij zei: je komt hier om te ontspannen, en dan zet je spanning. Wat je hier leert, is niet de houding. Je leert ontspannen blijven wanneer het ongemakkelijk wordt.
Ik bleef staan. Niet omdat ik sterker was dan gisteren, maar omdat ik gedragen werd.
Het verschil tussen die twee dagen zat niet in mij. Het zat in wie er vooraan stond. En dat is een van de belangrijkste dingen die ik weet over leren.
Het meisje dat opkeek
De stem van gisteren is ouder dan de mat.
Ik was zeven en zat in de tekenschool. Ik had iets gemaakt en was er apetrots op, met de onvoorwaardelijke trots van een kind dat nog niet weet dat er een maatstaf bestaat. Toen keek ik op. Rondom mij lagen tekeningen die zoveel beter waren.
Ik gaf het op.
Pas nu zie ik wat daar gebeurde. Mijn tekening was niet veranderd. Mijn blik wel.
Een kind dat rondkijkt in een groep, oordeelt niet. Het peilt. Hoor ik hier bij? Ben ik genoeg om te mogen blijven? Vergelijken is geen ijdelheid. Het is een van de oudste reflexen van een groepsdier, de manier waarop een systeem zijn leden laat voelen waar hun plek is.
Maar het antwoord dat een kind van zeven daaruit trekt, wordt makkelijk een wet: wie niet de beste is, doet beter niet mee.
Die wet volgt me. Aan het schildersdoek, waar elke dip eindigt in vergelijken en elk vergelijken in de soep. Op de mat, gisteren. En nu, in het bouwen van een eigen praktijk.
Het spiegelpaleis
Wat het kind in de tekenschool deed, doet een hele cultuur.
De markt waarin ik mijn werk probeer neer te zetten, is een spiegelpaleis geworden. Glanzende pagina's, helers die zichzelf aanbieden als koopwaar. Iedereen lijkt verder, helderder, zichtbaarder. Het is knokken, en ik ga dat niet mooier maken dan het is.
Het is dezelfde beweging op een andere schaal. Wat in het klein een reflex was om erbij te horen, is in het groot een economie geworden. Het verdienmodel draait op het moment waarop je rondkijkt en jezelf tekortvindt.
In yoga bestaat een woord voor de plek waar je blik rust: drishti. Dat is een vast punt, niet buiten jezelf, maar in de lijn van je eigen houding. Het is geen verbod om de anderen te zien. Het is een oefening in thuisbrengen: je blik telkens terughalen wanneer ze vertrekt naar de mat naast je.
Op de mat lukt me dat beter dan vroeger aan de tekentafel. Misschien omdat het daar de instructie is. Misschien omdat ik ondertussen weet wat er gebeurt als ik te vroeg opkijk.
Discipline is een leerling
Het woord waar ik zo vaak op stuk liep, is discipline. Ik hoorde er volharden in, tanden op elkaar, harder duwen.
Maar disciplina komt van discere: leren. Een discipulus is een leerling. In oorsprong is discipline geen hardheid. Het is de houding van iemand die bereid blijft te leren, ook op de dagen dat het niet lukt. Vooral op die dagen.
Want leren loopt niet in een stijgende lijn. Er komt altijd een moment waarop het oude je loslaat en het nieuwe nog niet in je lijf zit. Dat is geen bewijs dat je er niets van kunt. Het is het teken dat je onderweg bent.
Discipline is ook niet volhouden. Volhouden is nog altijd een houding tegenover de ervaring, een ik dat zich schrap zet. Wie een rek forceert, verkrampt. Leniger word je niet door te duwen, wel door uit te ademen op het punt waar het schuurt.
Discipline is terugkeren. Verschijnen. Op de mat staan op de dag dat je niet weet of je kunt blijven staan.
Maatstaf of bedding
En hier komen de twee dagen samen.
Dezelfde behoefte die ons doet rondkijken, is ook wat ons kan dragen. We zijn groepsdieren. We leren niet alleen. De vraag is alleen hoe de ander er is.
In de tekenschool waren de anderen een maatstaf. Ik keek op en mat mezelf, en verloor.
Vandaag was de ander een bedding. Iemand wiens rust even de mijne mocht zijn, zodat ik kon blijven waar ik anders was vertrokken.
Een kind dat leert, heeft geen strengere lat nodig. Een vrouw die een praktijk bouwt, ook niet. Wat ons door de dip draagt, is zelden wilskracht. Het is iemand die blijft staan naast ons, of een plek in onszelf die dat heeft leren doen.
Opnieuw
Dus ik ga terug. Naar de mat, naar het doek, naar het werk dat ik aan het bouwen ben.
Niet omdat ik zeker weet dat het lukt.
Wel omdat terugkeren zelf de beweging is.
Het werk is nooit af.
Niet de houding, niet het doek, niet de praktijk.
Niet ik.
Misschien is dat wat het meisje van zeven nog niet wist. Ze dacht dat haar tekening af was, en dus te meten. Maar wat nooit af is, valt niet te vergelijken. Het kan alleen verder.
Aan haar zou ik willen zeggen:
je tekening was goed.
Je keek alleen te vroeg op.
Het werk is nooit af.
Daarom kun je altijd terugkomen.
Again and again.
Angela Delbar — Latitude 33° | navigating through awakening